
Het doodvonnis tegen Arghavan Fallahi, een 25-jarige politieke gevangene, is door het Hooggerechtshof bekrachtigd. Volgens ontvangen informatie is de bevestiging van dit vonnis aan haar advocaat meegedeeld; een ontwikkeling die het risico dat het vonnis tegen deze politieke gevangene, die in de Evin-gevangenis vastzit, wordt voltrokken, aanzienlijk heeft vergroot.
Arghavan Fallahi was eerder op 1 juli 2026 ter dood veroordeeld door afdeling 15 van de Revolutionaire Rechtbank van Teheran, onder voorzitterschap van Abolqasem Soltani, op beschuldiging van ‘bughah’. Het oorspronkelijke vonnis werd eveneens via haar advocaat betekend, en de uitkomst van de herziening door het Hooggerechtshof is nu aan haar raadsman meegedeeld.
De bevestiging van het vonnis door het Hooggerechtshof betekent het einde van de gewone beroepsprocedure, hoewel er nog buitengewone wegen, zoals een verzoek om een nieuw proces, kunnen worden bewandeld. Op het moment van schrijven zijn het kamernummer van het Hooggerechtshof, de exacte datum van de uitspraak, de tekst van het vonnis en de juridische motivering voor het handhaven van het vonnis nog niet gepubliceerd. Het nieuws over de bevestiging van het doodvonnis van deze politieke gevangene werd op 30 juli 2026 bekendgemaakt.
Arrestatie en maanden in eenzame opsluiting
Arghavan Falahi werd op 6 januari 2024 gearresteerd door veiligheidstroepen en overgebracht naar afdeling 209 van de Evin-gevangenis. Ze bracht enige tijd door in eenzame opsluiting in de afdelingen 209 en 241, die onder controle staan van veiligheidsdiensten en de inlichtingendienst van de rechterlijke macht.
Een goed geïnformeerde bron had eerder gemeld dat de politieke gevangene tijdens haar detentie aan zware psychologische druk werd blootgesteld en dat ondervragers hadden geprobeerd haar te dwingen de moord op twee rechters, Mohammad Moghiseh en Ali Razini, te bekennen. Deze beweringen zijn niet onafhankelijk geverifieerd, maar het mogelijke gebruik van gedwongen bekentenissen doet ernstige twijfels rijzen over de geloofwaardigheid van het gehele gerechtelijke proces.